INLEIDING
PRIJSWINNAARS NEDERLANDSE LITERATUUR IN BELGIË (VLAANDEREN)
1830-2000

"Misschien wordt nergens zo gehuldigd, gevierd en aangebeden als in Vlaanderen" liet Kees Fens ooit aan zijn pen ontlekken.
1830-2000
Vlaanderen is inderdaad het land van pensenkermissen en rederijkerskamers. In provincie of dorp mag naast de jaarlijkse wielerwedstrijd zeker niet de literaire prijs ontbreken. Tijd dus om te feesten en te relativeren.
"... Je doet ook tal van verrassende vastellingen" volgens M. van Nieuwenborgh, "Dat Hugo Claus achttien maal in de prijslijsten wordt vermeld zal niemand verbazen. Dat de nu 62-jarige Leuvense dichter Mark Meekers 28 keer voorkomt daar kijk je van op. Vlug op Internet gekeken en daar valt zelfs te lezen dat Meekers' literaire werk niet minder dan 88 maal werd bekroond en dat hij maar liefst 32 maal laureaat werd in Vlaanderen en Nederland".
De meest bekroonde auteurs blijken de dichters te zijn: Mark Meekers, Hugo Claus, Jan Veulemans, Anton van Wilderode, Leonard Nolens en Marc Dejonckheere.
Prudens Van Duyse bewijst dat het reeds in de negentiende eeuw zo was. Ook de romanciers pikken hun graantje mee van de prijzenpot: Ward Ruyslinck, Ivo Michiels en Gerard Walschap. Jeugdauteurs als René Swartenbroeckx, Gerda van Cleemput, Henri van Daele worden hoe langer hoe meer ernstig genomen.
Het gewicht van een prijs is moeilijk af te wegen. Wat is een Ark-prijs, een Scriptores Catholici-prijs of Davidsfonds / Vliebergh-prijs waard, als men weet dat ze op ideologische basis werden toegekend (vrijzinnigheid /rooms-katholiciteit)? Met de jaren zwakken de fanatieke, fundamentalistische standpunten echter af. Kwam iemand anders dan een partijlid in aanmerking voor de Leo J. Krijn-prijs of de Achilles Van Acker-Stichting? Heeft een Humo-prijs meer dan louter amusementswaarde?
Sommige prijzen matigen zich onterecht die titel aan en zijn niet meer dan een referendum onder de lezers van een bepaalde winkelketen, of worden door gewiekste boekhandelaars toegekend op grond van verkoopcijfers (Referendum beste boeken (VBVB) en tutti quanti). De Pr-capaciteiten en de verkoop van bedrukt papier zijn doorslaggevender dan het kunstzinnig hanteren van de pen. De commercie met zijn bestsellerslijstjes haalt het
op kwalitatieve afweging.
Een SABAM-onderscheiding is eigenlijk geen prijs voor literair kunnen maar voor "verdienstelijkheid", zoals die binnen het inschattingsvermogen van enkele bedienden ligt.
Hou er rekening mee dat in Vlaanderen het "ons kent ons" tot in de hoogste literaire regionen woekert en dat een strategisch gelegen woonplaats (Antwerpen/Gent/Brussel) kan zorgen voor ongewone verschijningen op de prijslijsten. (A propos wat was de inbreng van de plaatselijke bank ook weer?)
Valt een prijs voor haiku lichter uit dan de bekroning van een roman of is het appelen vergelijken met citroenen?
Waarom de zou prijs van "De Gezellen van de Heilige Michiel" minder zijn dan... een staatsprijs? Sommige inrichters devalueren hun eigen prijs zoals de organisatoren van de Soetendaelle-poëziewedstrijd voor jongeren door per editie een tiental auteurs in spe met een eerste prijs te bekronen... Braderen en dit niet enkel in de koopjesperiode!
Aan de provinciale prijzen durft al eens een partijpolitiek kleurtje kleven. De gedeputeerde Cultuur weet best waar zijn medestanders-critici wonen. Soms worden ze tot hun verbazing zelf bekroond, enkel jaren nadat ze hun vriendjes als plaatsopvolger in de jury hebben aangeduid. "Poëzierecensenten tref je vaker aan als laureaten van poëziewedstrijden in West-Vlaamse steden. Soms halen ze twee jaar na mekaar de prijs binnen. En het jaar daarop onderscheiden ze zich in het dorp ernaast..." (M. Van Nieuwenborgh). In de provincie Antwerpen was het een conditio sine qua non om katholiek of socialist te zijn. In de naoorlogse jaren tref je er zelfs nog Hitlerianen, die de prijs wegkapen... Ook monsterachtigheden als de Ferdinand Snellaert-prijs voor "een verdienstelijk auteur wiens talent gecombineerd wordt met een verbondenheid met de volksnationale gedachte" komen in de dwergstaat Flandern nog voor. Wie aandachtig het lijstje van de staatsprijswinnaars ontleedt, ziet dat de bekroningen overeenstemmen met de partijpolitieke machtsverhoudingen van een bepaalde periode: nu eens C.V.P. dan weer socialist, nu eens kerkelijk-paaps dan weer met de zegen van de sacrosancte Loge. En wat te zeggen van de artistiek-intellectuele capaciteiten van juryleden die ene Felix Timmermans nooit de eer van een staatsprijs gunden?
Niets menselijks is de juryleden en de deelnemers vreemd.
Als we het verslag van een Westvlaamse krant mogen geloven is er in een grote Westvlaamse stad een (invloedrijk) auteur geweest die zijn eigen prijs creëerde en zijn juryleden koos. In de beste Oostbloktraditie leefde de man jarenlang van de staatsruif, zonder hiervan een rood hoofd te krijgen. Toevallig waren dit critici die zijn werk lovend gerecenseerd hadden en erop rekenden in het tijdschrift van bedoelde literaire eunuch te kunnen publiceren. De genius loci werd dan ook bekroond en met een som ter waarde van een kleine wagen: ere aan wie ere toekomt.
Of die andere Brabantse stadsprijs, waar niet alleen de Madonna zwart is, maar de organisator de helft van de jury "vergat" te verwittigen omdat deze leden toevallig een winnaar opgaven, die hem niet zinde...
De ideale wedstrijd zou er een zijn met veel deelnemers, een competente, onpartijdige jury, waarin het lobbywerk van uitgeverijen, vooringenomenheid wegens naambekendheid en ander fraais worden uitgeschakeld door de naamloosheid van de inzendingen te eisen.
Een Koninklijke Academie bijvoorbeeld zou hier eens over moeten nadenken indien de grijze hersenschors van de eerbiedwaardige leden nog niet volledig gescleroseerd is.
"... Frans Heymans heeft met Het goud van de Vlaamse letteren alvast een waardevol werk geschreven. We zouden de Academie trouwens aanbevelen zo spoedig mogelijk een prijsvraag uit te schrijven voor 'Een studie over literatuurprijzen in het Nederlandstalige gedeelte van België tussen 1830 en 2000" (Nogmaals M. Van Nieuwenborgh).
Deze bemerkingen mogen echter het leesplezier niet vergallen en van de kroontjes blijven er allicht wel enkele welverdiende over. Ten slotte gaat het om niets meer dan "literaire drafwedstrijden..."
Artsenicum
"... Je doet ook tal van verrassende vastellingen" volgens M. van Nieuwenborgh, "Dat Hugo Claus achttien maal in de prijslijsten wordt vermeld zal niemand verbazen. Dat de nu 62-jarige Leuvense dichter Mark Meekers 28 keer voorkomt daar kijk je van op. Vlug op Internet gekeken en daar valt zelfs te lezen dat Meekers' literaire werk niet minder dan 88 maal werd bekroond en dat hij maar liefst 32 maal laureaat werd in Vlaanderen en Nederland".
De meest bekroonde auteurs blijken de dichters te zijn: Mark Meekers, Hugo Claus, Jan Veulemans, Anton van Wilderode, Leonard Nolens en Marc Dejonckheere.
Prudens Van Duyse bewijst dat het reeds in de negentiende eeuw zo was. Ook de romanciers pikken hun graantje mee van de prijzenpot: Ward Ruyslinck, Ivo Michiels en Gerard Walschap. Jeugdauteurs als René Swartenbroeckx, Gerda van Cleemput, Henri van Daele worden hoe langer hoe meer ernstig genomen.
Het gewicht van een prijs is moeilijk af te wegen. Wat is een Ark-prijs, een Scriptores Catholici-prijs of Davidsfonds / Vliebergh-prijs waard, als men weet dat ze op ideologische basis werden toegekend (vrijzinnigheid /rooms-katholiciteit)? Met de jaren zwakken de fanatieke, fundamentalistische standpunten echter af. Kwam iemand anders dan een partijlid in aanmerking voor de Leo J. Krijn-prijs of de Achilles Van Acker-Stichting? Heeft een Humo-prijs meer dan louter amusementswaarde?
Sommige prijzen matigen zich onterecht die titel aan en zijn niet meer dan een referendum onder de lezers van een bepaalde winkelketen, of worden door gewiekste boekhandelaars toegekend op grond van verkoopcijfers (Referendum beste boeken (VBVB) en tutti quanti). De Pr-capaciteiten en de verkoop van bedrukt papier zijn doorslaggevender dan het kunstzinnig hanteren van de pen. De commercie met zijn bestsellerslijstjes haalt het
op kwalitatieve afweging.
Een SABAM-onderscheiding is eigenlijk geen prijs voor literair kunnen maar voor "verdienstelijkheid", zoals die binnen het inschattingsvermogen van enkele bedienden ligt.
Hou er rekening mee dat in Vlaanderen het "ons kent ons" tot in de hoogste literaire regionen woekert en dat een strategisch gelegen woonplaats (Antwerpen/Gent/Brussel) kan zorgen voor ongewone verschijningen op de prijslijsten. (A propos wat was de inbreng van de plaatselijke bank ook weer?)
Valt een prijs voor haiku lichter uit dan de bekroning van een roman of is het appelen vergelijken met citroenen?
Waarom de zou prijs van "De Gezellen van de Heilige Michiel" minder zijn dan... een staatsprijs? Sommige inrichters devalueren hun eigen prijs zoals de organisatoren van de Soetendaelle-poëziewedstrijd voor jongeren door per editie een tiental auteurs in spe met een eerste prijs te bekronen... Braderen en dit niet enkel in de koopjesperiode!
Aan de provinciale prijzen durft al eens een partijpolitiek kleurtje kleven. De gedeputeerde Cultuur weet best waar zijn medestanders-critici wonen. Soms worden ze tot hun verbazing zelf bekroond, enkel jaren nadat ze hun vriendjes als plaatsopvolger in de jury hebben aangeduid. "Poëzierecensenten tref je vaker aan als laureaten van poëziewedstrijden in West-Vlaamse steden. Soms halen ze twee jaar na mekaar de prijs binnen. En het jaar daarop onderscheiden ze zich in het dorp ernaast..." (M. Van Nieuwenborgh). In de provincie Antwerpen was het een conditio sine qua non om katholiek of socialist te zijn. In de naoorlogse jaren tref je er zelfs nog Hitlerianen, die de prijs wegkapen... Ook monsterachtigheden als de Ferdinand Snellaert-prijs voor "een verdienstelijk auteur wiens talent gecombineerd wordt met een verbondenheid met de volksnationale gedachte" komen in de dwergstaat Flandern nog voor. Wie aandachtig het lijstje van de staatsprijswinnaars ontleedt, ziet dat de bekroningen overeenstemmen met de partijpolitieke machtsverhoudingen van een bepaalde periode: nu eens C.V.P. dan weer socialist, nu eens kerkelijk-paaps dan weer met de zegen van de sacrosancte Loge. En wat te zeggen van de artistiek-intellectuele capaciteiten van juryleden die ene Felix Timmermans nooit de eer van een staatsprijs gunden?
Niets menselijks is de juryleden en de deelnemers vreemd.
Als we het verslag van een Westvlaamse krant mogen geloven is er in een grote Westvlaamse stad een (invloedrijk) auteur geweest die zijn eigen prijs creëerde en zijn juryleden koos. In de beste Oostbloktraditie leefde de man jarenlang van de staatsruif, zonder hiervan een rood hoofd te krijgen. Toevallig waren dit critici die zijn werk lovend gerecenseerd hadden en erop rekenden in het tijdschrift van bedoelde literaire eunuch te kunnen publiceren. De genius loci werd dan ook bekroond en met een som ter waarde van een kleine wagen: ere aan wie ere toekomt.
Of die andere Brabantse stadsprijs, waar niet alleen de Madonna zwart is, maar de organisator de helft van de jury "vergat" te verwittigen omdat deze leden toevallig een winnaar opgaven, die hem niet zinde...
De ideale wedstrijd zou er een zijn met veel deelnemers, een competente, onpartijdige jury, waarin het lobbywerk van uitgeverijen, vooringenomenheid wegens naambekendheid en ander fraais worden uitgeschakeld door de naamloosheid van de inzendingen te eisen.
Een Koninklijke Academie bijvoorbeeld zou hier eens over moeten nadenken indien de grijze hersenschors van de eerbiedwaardige leden nog niet volledig gescleroseerd is.
"... Frans Heymans heeft met Het goud van de Vlaamse letteren alvast een waardevol werk geschreven. We zouden de Academie trouwens aanbevelen zo spoedig mogelijk een prijsvraag uit te schrijven voor 'Een studie over literatuurprijzen in het Nederlandstalige gedeelte van België tussen 1830 en 2000" (Nogmaals M. Van Nieuwenborgh).
Deze bemerkingen mogen echter het leesplezier niet vergallen en van de kroontjes blijven er allicht wel enkele welverdiende over. Ten slotte gaat het om niets meer dan "literaire drafwedstrijden..."
Artsenicum